Vredelaan
Door Marc Van Laere

<- Terug

Aan Nathalie P., 1906 – 2002
en Raymond L., 1927 – 2020

De laatste jaren dat je in dit huis vooral van herinneringen leefde, nog vooraleer je verhuisde naar woonzorgcentrum Paradijs, ontging jou weinig van onze straat. Je had de tijd. Jouw man was al naar zijn hemel vertrokken, jullie zonen en dochters naar hun levens. Jullie echtelijke bed verhuisde naar de gelijkvloerse verdieping en jouw dagen versoberden van bed naar keuken naar salon naar bed.

Jouw, nu ons huis werd gebouwd kort na de Tweede Wereldoorlog, midden in een toen nieuwe Vredelaan. Een laan van schoolmeesters en bankbedienden met kroostrijke gezinnen en huismoeders, zoals jij, Nathalie. Huizen met allemaal verschillende daken en tuinen met jonge – vandaag hoge – bomen.

Voor jouw entrée in het Paradijs hield je het leven in het oog vanuit het voorraam. ’s Morgens het défilé van boekentassen, aktetassen en boodschappentassen. Later op de dag moeders terugkerend van de markt, de jeugd vanuit de nabije scholen en ten slotte de vaders, terug van kantoor. Liefst nog hield je de kinderen van de nabije buren in de gaten. Om ze van aan jouw voordeur te vragen hoe het op school was geweest, of ze veel huiswerk hadden? En om zorgelijk te kijken naar een geschaafde knie, ze te troosten en aan jouw hart te binden met chocolade.

Kort na jouw verhuis naar Het Paradijs gingen wij in jouw huis wonen. De stoffen elektriciteitsleidingen, de ene douche en het ene toilet voor het gezin van zes, de met plastic overdekte veranda verdwenen. De jaren daarop verdwenen uit de Vredelaan ook één voor één jouw leeftijdsgenoten. De gepensioneerde meesters en klerken. De nog veilig op straat spelende kinderen en kleinkinderen die noodgedwongen plaats ruimden voor het aanzwellende pendelverkeer en naar ook hun eigen levens vertrokken. Het laatst verdwenen uit de straat de vrouwen, de moeders.

We zagen het gebeuren doorheen ons, jouw voorraam, op de stoep, van aan jouw voordeur.

Tot de lente van dit jaar aanbrak, Nathalie. Je zou je ogen niet geloven, je zou er je man uit de hemel voor terugroepen. De stilte keerde terug, de kalmte van jouw goede, verleden tijd. Ik zou zien hoe jouw ogen bleven haperen aan de verstoffende witte lakens uit de ramen van de overkant. De ene na de andere lege bus zou je zien voorbijrijden naar het station, met één, twee vreemde passagiers. ‘Suske,’ zou jij je man toefluisteren, ‘zo te zien wérken de mensen niet meer de dag van vandaag. Ze lijken godganse dagen te fietsen met helmen op, ze lopen verpakt in felle kleuren, ze wandelen met stokken alsof wij in een bergdorp leven. En de kinderen gaan niet meer naar school.’

Nathalie, zie naar de huizen aan de overkant. Zie de nieuwe bewoners. Een Syrisch gezin samengepakt op de eerste verdieping van Rosa’s huis, een lesbisch paar met twee dochters en tussen hen in wonen twee jongens met codenamen, Oscar en Charlie. En kijk verder in de straat, allemaal nieuwe mensen. De kinderen in de voortuinen, met steps, ze tekenen met krijt op de stoep, de kleinsten tellen de knuffelberen achter verschillende ramen.

Hoor en zie hoe jouw straat ineens – als op afspraak – ‘s avonds om acht uur aan de voordeuren tot leven komt. Eén begint, dan nog één en dan gaat de helft van de straat applaudisseren. Een geklater dat stilvalt voor eerst één en dan nóg een lied uit grote geluidsboxen, soms liedjes uit jouw gloriejaren. Voor de helden, zo wordt gezegd. We are the champions. Breek de stilte. De Vredelaan klapt in de handen. Al vele weken lang, elke avond. We volgen het vanuit jouw uitkijk, van aan jouw voordeur. Tot deze oorlogstijd waarover sommigen het hebben voorbij is.

Over jouw en onze wereldoorlog gesproken. Vorige week overleed in onze straat Raymond. Je hebt hem gekend. Hij werd een eind in de negentig, zoals jij. Pas in zijn overlijdensbericht lazen wij dat hij weerstander was in jouw wereldoorlog. Zo kende de straat hem ongeweten ook: hij sleepte zich omwille van een versleten heup en van vermoeidheid elke avond van aan het einde van de Vredelaan tot bij zijn dochter halfweg. Om er te avondmalen. En later op de avond het hele eind terug. Hij wou geen hulp, nam zijn tijd, overwon op karakter afstand en de zwaartekracht van zijn lichaam. Een weerstander van de ene tot deze oorlog.

Hem ter ere klonk maandagavond door de boxen, nadat hij ‘s morgens in stilte was begraven, zijn lijflied. O sole mio. Met de stem van een flamboyante, Italiaanse tenor. En met onze ingehouden stemmen van weerstanders uit jouw, onze Vredelaan, Nathalie. Che bella cosa na jurnata ’e sole, n’aria serena doppo na tempesta! Hoe veel mooier de zon schijnt, als ze doorbreekt na de storm.

Marc Van Laere

<- Terug