“Mijnheer”
Door Rik Wouters

<- Terug

Mijnheer Teirlinck,

Weet u dat er niet veel schrijvers zijn uit de Vlaamse literaire wereld die ik vol eerbied aanspreek met Mijnheer? Naast u denk ik aan Louis Paul Boon, Clem Schouwenaars en dichter Paul van Ostaijen. Of dat lijstje volledig is? Wie zal het zeggen. Ik zal ook altijd een boon hebben voor mevrouw Rose Gronon, die in het Frans debuteerde.
Ik hoor mensen beweren dat ik u niet met Mijnheer moet – of mag – aanspreken. Ze leuteren, wanneer ze beweren dat u al lang dood bent. Dan zou ik mijn vader, mijn bobon, mijn grootmoeder en meter, ook niet meer zo mogen noemen. Al noemde ik mijn meter nooit Mijnheer. Zij zijn immers ook al jaren dood. Ach, wat is dood zijn? Letterkundigen gaan lichamelijk dood, maar leven, zoals u, door in hun boeken.
Ik ben meer dan eens in uw huis op de Uwenberg geweest, waar u tot aan uw dood in 1967 gewoond heeft. Ik denk dat u vaak naar de Zennevallei keek, die aan uw voeten lag. U heeft er tal van kerktorens – die er nog steeds staan – kunnen zien. Kerken worden niet platgegooid.

Dagelijks sta ik op mijn Hals balkon. Ik kijk dan uit op de hoogtes van waar u neerkeek op de Zennevallei, niet in de richting van Vlaanderen, maar naar het zuiden, het Walenland. Veel kerktorens zie ik echter niet. Wel pylonen met elektriciteitsleidingen van waarop veel vogels in de nazomer naar het zuiden vertrekken, en windmolens met drie bijna steeds draaiende wieken die boven veel bomen een bos zouden kunnen vormen. Zou Don Quijote het aangedurfd hebben om ertegen te vechten?
Het liefst sta ik op mijn Hals balkon wanneer het aardsdonker is, met een geuze in de hand. Het zurige drankje, dat u ook wel lustte, Mijnheer, houdt me wakker, alert zelfs.
Ik kijk naar boven. Sterren tel ik niet zoals ik ook nooit schaapjes heb geteld. Slapen is tijdverlies. Ik kijk gewoon naar de vele sterren die met de losse hand gezaaid lijken te zijn. Sterren en zaaien? Ik verlies me in mijn verbeelding. Boeren hebben nooit sterren gezaaid. Er zijn nog amper boeren te bespeuren in uw Zennevallei.
Ik kijk naar beneden. Licht valt op. Lichtjes vallen op. Zijn het de weerkaatsingen van sterren op de grond? Net als de sterren lijken ze niet te bewegen. Worden ze daartoe verplicht? Of zijn het glimwormpjes die lichtsignalen gebruiken om elkaar tijdens de voortplanting op te sporen en op te hitsen? Neen, van voortplanting lijkt geen sprake te zijn. De lichtjes houden immers scrupuleus afstand van elkaar.
Ik kijk verder naar beneden. Tussen de bomen zie ik een lint van lichtgevende stipjes. Ze naderen elkaar, om iets later weer afstand te nemen. Zijn het weer die hitsige glimpwormpjes? Is hier een vreemd spel van aantrekken en afstoten aan de gang? Ach, er is geen contact. Goed. Beginnen ze daarom uit te sterven? Of zijn het kaarsdragers in het zwart die zwaaiend met kaarsen en een beeld van een zwarte maagd oefenen voor een processie? Waarom viert zwart hoogtij? Is zwart dood?
Ik kijk in de verte. Ik zie wat zich herhaalt. Licht in duisternis. Of duisternis rond licht? Herhalen hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn. Ik drink mijn geuze leeg.

Ik word triest, heel plots. Ik wil over de kim heen kijken. Daar ligt, ver weg, een heel andere wereld. Daar ligt Catalonië, mijn Catalonië.
U en ik hebben met meer dan een halve eeuw verschil uitgekeken over een landschap waarvan we beide hielden en houden en dat in se amper veranderd is. Kunt u zich voorstellen dat iemand meer dan een eeuw geleden in Barcelona uitgekeken heeft over een stadschap? Ja, Mijnheer, ik weet ook wel dat dat dat woord niet bestaat. En toch, ik vind het goed gevonden.
In 1917 heeft iemand, lang voor mijn tijd, in die stad uitgekeken over een stadschap. Hij heeft er zelfs een schilderij over gemaakt: ‘El Paseo de Colón’ heet het in het Castiliaans. Mooi. Magistraal.
Ik word nostalgisch, heel plots. Ik wandel de Ramblas op in de richting van de Placa Reial. Op zoek naar een plaatsje in de schaduw. Ik bestel een fles cava die bijna even zurig smaakt als onze geuze, Mijnheer. Ik nip. Ik drink. Ik vergeet dat ik aan u en aan onze Zennevallei aan het denken was. Ik zwelg. Ik verlies me.

Mijnheer Teirlinck,

Ik denk dat ik weer eens langs uw vroegere woning zal rijden. Ik denk dat ik weer eens enkele van uw werken zal herlezen. Het is lang, veel te lang geleden. Ach, Mijnheer, wie, die uw naam uitspreekt, heeft ooit een werk van u gelezen?

<- Terug