SUZANNE ROES

——
Weerslag van een residentiegesprekje
——

Hoe zou je jezelf omschrijven?

Ik ben filosoof, maar ik heb in vergelijking met de meeste filosofen nogal een atypische achtergrond. Ik kom uit een gezin met een kok als vader en een verpleegster als moeder. Ik heb zelf ook fulltime in de keuken gestaan voor een tijdje en ben ook altijd praktisch werk blijven doen naast mijn schrijven. Ik heb het idee dat dit mij heel erg gevormd heeft in hoe ik denk en welke zaken ik van belang vind. Tijdens mijn studies heb ik me veel laten inspireren door feministische filosofie, omdat sociale structuren naar mijn mening de basis moeten zijn van de manier waarop we denken, en ook van ons bewustzijn over het feit dat we een manier hebben waarop we denken. In plaats van dat we gewoon aan het denken zijn. De manier waarop we geworteld zijn, heeft dus altijd een plek in mijn denken en schrijven gekregen. Dat is hoe ik me zou omschrijven als filosoof en als schrijver.

Waar ben je momenteel mee bezig?

Ik ben een boek aan het schrijven over ethische criminelen. Over mensen die de wet overtreden in een poging om iets goeds te doen. Ik gebruik hier het woord ‘crimineel’ trouwens op een heel vrije manier, want vaak worden deze mensen uiteindelijk in hoger beroep vrijgesproken, of veroordeeld op basis van een andere wet dan de strafwet. Er is echter wel een grote trend van criminalisering van hulpverleners en activisten gaande. Dat zegt iets over de democratie waarin we nu leven, en over de ruimte die er is voor ons geweten, in de wereld zoals die nu is. Ik denk dat, zelfs als het op dit moment goed met je gaat, je het recht om goed te zijn voor elkaar moet beschermen. Daar probeer ik in mijn werk meer aandacht aan te geven.

Waar is dat idee ontstaan? Hoe begon dat?

Mijn vorig boek gaat over vruchtbaarheid. Daarin bestudeer ik de politiek van vruchtbaarheid, en zo kwam ik feministische abortuscollectieven uit de jaren zeventig op het spoor, die heel sterk focussen op wie de kennis en de middelen heeft om abortus uit te voeren, en hoe men ervoor kan zorgen dat dit terechtkomt bij de mensen die het daadwerkelijk nodig hebben. Hoe zorgen we dat het ‘poortwachtersysteem’, waarbij iemand anders beslist of iets al dan niet legitiem is, wordt afgebroken. Het meest interessante daaraan vond ik dat die systemen zijn blijven bestaan, nadat abortus legaal werd, en daarmee een soort van tweede linie vormden. Wetten geven geen garanties. Het zijn timestamps. Ze laten zien wat op dit moment door de beugel kan, of, misschien nog erger, waar op dit moment stemmen mee gescoord kunnen worden. Wetten waaien, met andere woorden, met een politieke wind mee. Wanneer het gaat om medemenselijkheid, lichamelijke integriteit, de basiswaarden, is de wet zo vaak fout en onmenselijk geweest. Slavernij is legaal geweest, het derde rijk is zowel een praktisch als een juridisch feit geweest. Dus we hebben die tweede linie nodig. Dat werd bij het lezen over het werk dat rond abortus gebeurde in de jaren zeventig voor mij plots heel duidelijk. Toen dacht ik: dit is een boek op zichzelf. Dit vraagt om meer dan een paar pagina’s in een boek dat eigenlijk over iets anders gaat.

Hoe lang ben je nu bezig met dit onderwerp?

Toch al bijna anderhalf jaar. De bedoeling is dat het boek in november uitkomt, dus het zijn nu de zwaardere maanden van het doorschrijven en focussen.

Sluipen thema’s zoals activisme, en feminisme dan altijd je werk binnen?

Ik denk van wel. Als ik kijk naar wat ik schreef, dan is de zoektocht naar gelijkheid wel een rode draad, en tegelijk denk ik niet dat het een naïeve vorm daarvan is. Het is niet in de zin van ‘alles moet kunnen, en iedereen moet radicaal vrij zijn’, omdat vrijheid heel lang betekent heeft dat je mag kiezen. Ik denk juist dat we meer aandacht moeten hebben voor welke wereld we samen creëren, en dat is een heel andere insteek van activisme en gelijkheid, dan de dominante insteek van onze liberale samenleving. Maar het is wel een rode draad, zeker. Het blijft altijd terugkomen. Één van de belangrijkste vragen die altijd zal blijven terugkomen, is ‘hoe leef je een goed leven?’ en ‘hoe leef je samen een goed leven?’ En filosofie die daar totaal niet mee engageert, is niet mijn soort filosofie.

Is er iets dat je recent gelezen hebt, dat je geraakt heeft?

Ik heb net The Serviceberry van Robin Kimmerer gelezen. Het boek heeft gelukkig al heel wat aandacht gekregen. Het inspireert mij in mijn schrijven en in mijn leven, omdat het een nieuwe invulling geeft aan het woord overvloed. Het is geschreven door een botanist, en zij probeert economie een nieuwe vorm te geven aan de hand van één van haar favoriete bessen. Het fijne aan die bessen vindt ze dat ze ermee is opgegroeid, dat die gratis langs de weg zijn te vinden, dat ze die deelt met niet-menselijke wezens. Maar ook dat die praktijk van het nemen van iets dat je vindt in de wereld, vraagt om een bepaalde zorgrelatie. The gift-economy betekent niet: je krijgt alleen maar dingen. Het is net die wederkerigheid die we ook in onze menselijke geschenkeconomie zien terugkomen. Op het moment dat je op die manier begint na te denken over de zaken die je in de wereld vindt, dan vraagt dat om een bepaalde gevoeligheid die we zijn kwijtgeraakt. Neem zoveel als je nodig hebt, in plaats van meer dan dat. Met deze gedachte als startpunt kom je bijvoorbeeld op heel andere ideeën uit van wat een dief is. In ons huidig economisch systeem is een dief iemand die niet betaald heeft. In Kimmerers werk is een dief iemand die meer neemt dan hij nodig heeft, iemand die voor zichzelf houdt wat hij ook in de buik van zijn buur of broer kan steken. Het is maar een hele kleine omwenteling in gedachte, die toch heel wat zaken in de wereld een andere betekenis geeft.

Heb je een vast schrijfritueel?

Ik zou willen dat ik een vast schrijfritueel had (lacht). Ik heb het gevoel dat ik mezelf iedere één à twee weken opnieuw moet uitvinden. Dan heb ik eventjes een ritme dat werkt, en dan probeer ik er te veel uit te knijpen en dan knijp ik het kapot. Dan moet ik weer op zoek naar iets nieuws dat werkt. Maar misschien is dat dan mijn ritme.

Heb je in het huis van Herman Teirlinck een bepaald ritme?

De eerste dagen dat ik hier was, scheen de zon van ’s ochtends vroeg. Dan begonnen de vogels al om zes uur voor mijn raam te zingen, en startte ik aan mijn dag. Ik lieg tegen mezelf dat als de dag vroeg begint, ik gratis uren heb. Ook al is dat niet hoe het werkt. Die eerste uren gebruik ik dan graag om niet in mijn ‘kernwerk’ te zitten, maar om bijvoorbeeld redactiewerk te doen voor mijn beste vriend die ook filosoof is, of om te lezen in een boek dat net niet relevant genoeg is voor mijn onderzoek, maar ik wel graag wil lezen. De gratis uurtjes vul ik dus op met pseudowerk, en rond acht uur begin ik te werken aan wat nu nodig is. Aan het einde van de ochtend begint het dan meestal te kriebelen om naar buiten te gaan. Deze omgeving nodigt mij echt uit tot een wandeling van drie à vier uur, om mijn gedachten te organiseren en met een vol rugzakje terug te komen en te gaan schrijven.

Heeft schrijven altijd al deel uitgemaakt van je leven?

Nee, totaal niet. Het is heel per ongeluk gebeurd, al had het feit dat ik filosofie ging studeren misschien wel een belletje kunnen doen rinkelen. Als kind schreef ik af en toe poëzie. Ik wilde ook heel graag een roman schrijven, maar ik kwam nooit verder dan één bladzijde. Op een bepaald moment is dat verdwenen en ben ik meer praktisch werk gaan doen. Dat was een periode waarin geen tijd was voor lezen, laat staan schrijven. Toen ik ging studeren, werd ik toevallig meegesleurd door twee andere Nederlanders die bij het studentenblad een kijkje wilden gaan nemen. Ik ben meegegaan, ik heb ja gezegd op alles wat mij gevraagd werd, en anderhalf jaar later was ik hoofdredacteur. De combinatie van filosofie en voor een publiek leren schrijven, is een heel fijne combinatie. Veel academische filosofen leren niet hoe je een verhaal opschrijft, en ik heb het geluk gehad dat ik beide vaardigheden heb mogen leren. Met als gevolg dat ik nu hier ben.

Waar droom je van?

Ik vind het moeilijk om te dromen in de wereld zoals die nu is. Wanneer ik ergens van droom, probeer ik dat meteen een vorm te geven. Ik droomde bijvoorbeeld ooit van een warme, symbiotische cohousing, en nu leef ik in een huis met vijf mensen, hebben we een kat en een tuin, en zijn onze rekeningen niet meer van elkaar gescheiden en is alles van iedereen. Ik weet niet wat mijn droom nu is. Op dit moment sta ik eigenlijk vooral met beide benen op de grond, in de hoop dat we ons kunnen verzetten tegen de storm waarvan ik het gevoel heb dat die eraan komt. Op dit moment ben ik dus conservatiever dan ooit, in die zin dat ik bang ben dat stilstand of achteruitgang het best case scenario is, en dat we dus voor stilstand moeten gaan. Het zijn rare tijden om te dromen.

Waar twijfel je over?

Over alles. Ik twijfel over wat ik schrijf, over hoe ik leef, maar niet over de mensen die ik liefheb. Maar voor de rest is alles één grote twijfel.

Met welke verwachtingen of verlangens ben je naar het huis van Herman Teirlinck gekomen?

Ik ben hier gekomen met de verwachting dat ik tijd zou hebben. En die vond ik, gelukkig. Hoe veel ik ook houd van mijn leven in Antwerpen; hoe langer je ergens bent, hoe langer de lijst wordt van dingetjes die je altijd op orde wilt hebben. En als je op een plek bent waar je niemand kent en geen routine hebt, heb je gewoon dat lege blad. En mag je zelf beslissen hoe je dat invult. Dat geeft mij enorm veel rust, en enorm veel tijd. Dat is één van de redenen dat ik geen seconde getwijfeld heb om naar hier te komen. Wat ik heb gevonden heb, is een prachtige omgeving, met heel warme mensen. Ik ben gefascineerd door deze regio, in de zin dat het zo dichtbij Brussel ligt, en toch zo goed is geweest in zichzelf te beschermen. Ik kan het nog niet helemaal grijpen, maar ik kan me nu al niet voorstellen dat ik hier nooit meer ga terugkomen.