Sytse Jansma

——
Weerslag van een residentiegesprekje
——

Hoe zou je jezelf omschrijven?

Ik ben schrijver en dichter. Maar ik probeer ook altijd verbinding te maken met andere kunstdisciplines. Dus misschien eerder interdisciplinair kunstenaar? Ik heb een achtergrond in beeldende kunst. Dat kan je bijvoorbeeld zien aan dat ik mijn personages teken. Als ik het voor me zie dan kan ik de details ook beter beschrijven.

Dit is een tekening van ‘de dirigent’. In mijn nieuwe roman heb ik personages van de vier hersenstructuren gemaakt. Zo lopen de amygdala en de hypothalamus als twee poortwachters door de stad. Verder kom je een hippocampus tegen als archivaris en de prefrontale cortex als een dirigent. Het wordt daardoor wat magisch realistisch.

Van mijn vorige dichtbundel heb ik een theatervoorstelling gemaakt, samen met twee muzikanten. Voordien creëerde ik ook animatiefilms. Ik weet niet of het beeldende in het boek zal komen, maar het helpt me om de karakters eerst goed neer te zetten als typetjes. Dus ik combineer het altijd wel.

© Sytse Jansma

Ontstaan eerst de tekeningen of eerst de literatuur?

Het idee is gekomen door met mensen te praten die me de werking van het brein hebben uitgelegd. De amygdala en hypothalamus worden dikwijls voorgesteld als poortwachters, en de hippocampus als archivaris. Daarvan heb ik een oud mannetje met een stok gemaakt die op het Brusselse Vossenplein dingen staat de verkopen. De poortwachters staan bij alle deuren, die moeten dat want dat zijn ze gewend. Toen ik deze personages bedacht had, moest ik ze goed omschrijven. Bijvoorbeeld, die poortwachter moet een zonnebril hebben zodat hij nog wel om zich heen kan kijken. Heeft hij een bomberjack aan? Een hoge of lage kraag? Als je daarin heel veel details ontwikkelt dan wordt het verhaal ook waarachtiger.

 

Heeft schrijven altijd al deel uitgemaakt van je leven?

Ik denk van wel. Mijn moeder vertelde laatst dat ik als kind altijd dagboeken bijhield om zaken vast te leggen. Ik vond het bijvoorbeeld zonde dat vakanties voorbijgingen. Dat was dan zo’n mooie tijd die ik wel moest registreren. Het hielp me ook om de dag te ordenen. Ik schreef ook al wel verhaaltjes als kind. Verhalen vertellen vond ik zo leuk. Toen ik literatuurles kreeg op de middelbare school is het meer gaan branden, vooral poëzie dan. Het spelen met taal in poëzie is mijn vertrekpunt geweest. En nu voor het eerst een roman.

 

Hoe heb je die overstap gemaakt? Waarom heb je deze keer voor een roman gekozen?

Ik had twee dichtbundels in het Fries geschreven en de laatste was in het Nederlands. Die ging over rouwverwerking omdat mijn vriendin overleden is. Dat was heel heftig en persoonlijk en ik wou nu iets anders doen. Ik had altijd al een wens om verhalen te schrijven.

Ik vind het niet alleen mooi om kunstdisciplines te overschrijden maar ook om binnen een discipline de grenzen op te zoeken. Ik zou niet enkel binnen de poëzie kunnen blijven. Wie weet schrijf ik hierna een essaybundel. Ik vind het interessant om nieuwe dingen te ontdekken en deze roman komt met heel wat nieuwe uitdagingen zoals ‘hoe schrijf je een goede dialoog?’, of ‘heb ik een plot nodig?’. Als je een boek leest, ontvang je enkel wat de auteur heeft geschreven, maar als je het máákt, moet je veel bewuster nadenken over of je een personage laat ontwikkelen of niet. Een plot is wel makkelijk maar moet dat wel? Het helpt me om in gesprek te gaan met andere schrijvers.

Ik hou een kaart bij van Brussel met alle plaatsen waar ik geweest ben en misschien is dat wel mijn structuur. Een Portugees restaurantje waar ik ooit kwam, het Vossenplein, het Jubelpark, een metrorit … Er gaat zo’n wereld voor me open bij het schrijven van proza. Er is zoveel te ontdekken. Daar krijg ik energie van. Het is bijna verslavend.

Sinds mijn vorige bundel ben ik gestopt met mijn vaste job en ben ik volledig voor de kunsten gaan werken. Hierdoor kan ik er héél diep induiken: ik sta ermee op en ga ermee slapen. Het zit constant in mijn hoofd. Elke dag heb ik zin om een scène goed uit te werken.

Dat is ook wat ik hier doe. De structuur heb ik grotendeels ontwikkeld dus nu ga ik heel langzaam en in detail de hoofdstukken schrijven. Af en toe bezoek ik ook Brussel om observaties te doen.

 

Waarom Brussel?

Ik moest weg uit Nederland. Ik had toen de Poëziedebuutprijs gewonnen dus ik was een paar keer in België geweest. Ik wou een stad hebben die schuurt, waar heel veel energie zit en de dingen botsen. De keuze voor Brussel was heel intuïtief.

 

Zijn er bepaalde thema’s die altijd weer je werk binnensluipen?

De human condition. Existentiële zingeving. De vorige keer was het rouwverwerking en veerkracht, bijvoorbeeld. Schrijven is voor mij heling. Het is een middel om de zaken waarmee je worstelt naar boven te halen. Het is een zoektocht naar zingeving en persoonlijke thema’s die heel erg raken zoals rouw, angst en identiteit.

 

Vind je dat je werk een link met de maatschappij moet hebben?

Dat hoeft niet. Het belangrijkste is dat je een bepaalde urgentie voelt om te schrijven. Soms als ik andere boeken lees, denk ik: oké, leuk, maar waarom doe je dit? Ik moet bij mezelf voelen dat dit er moet komen.

Dat kan ook door middel van vormtechnisch onderzoek zijn. In mijn tweede bundel heb ik onderzocht in hoeverre taal ons denken stuurt. Ik gebruikte veel neologismen, puur omdat ik de taal wilde oprekken.

Uiteindelijk is bijna alles wel maatschappelijk, maar ik moet voelen: dit is iets wat verteld moet worden. Dat klinkt misschien heel zwaar, maar het kan ook met humor.

 

Vanwaar de keuze om in het Fries te schrijven?

Ik ben tweetalig opgevoed door een Nederlandstalige moeder en een Friestalige vader. Ik heb dus altijd twee talen door elkaar gebruikt. Het schrijven in het Fries is heel natuurlijk gekomen. De bundel die ik schreef naar aanleiding van het overlijden van mijn vriendin was wel in het Nederlands omdat zij Nederlands sprak en ik veel brieven naar haar geschreven heb.

Ik merk ook dat wanneer je in Brussel in het Nederlands schrijft, je in een taal werkt die daar al hoort. Dan ben je niet zozeer een vreemdeling. Brussel is een lappendeken van allemaal culturen en nationaliteiten. Als ik Fries praat in Brussel voel ik me verwant met andere minderheden.

Daarnaast is het Fries een minderheidstaal, waardoor het gauw lijkt dat je een conservatieve taalstrijder bent. Ik vind het lastig dat ik me daar altijd toe moet verhouden. Ik wil iets in het Fries schrijven dat zich niet zo krampachtig verhoudt tot het behouden van de taal. Ik wil niet meteen een taalstrijder worden. Ik wil die taal juist een stad in gooien en kijken wat er dan met die taal gebeurt. Ik wil bewust heel wat interferenties van andere talen in die taal toelaten. Ik moest denken aan A Clockwork Orange waarin Russische woorden verengelst worden Dat vind ik heel interessant: hoe kan ik het Fries verrijken met andere talen? Mijn boek gaat dus niet alleen over identiteitsfluïditeit, maar ook over taalfluïditeit.

 

Waar droom je van?

Ten eerste dat het boek heel goed wordt, maar ik denk ook al na over wat ik er hierna nog mee ga doen. Welke verbinding ga ik er nog mee aangaan? Ga ik er een kunstexpositie rond maken? Of een film? Muziek? Daar verheug ik me op.

 

Heb je een vast schrijfritueel?

Ik ben heel gedisciplineerd. ’s Middags enkele uurtjes en ‘s avonds schrijf ik van acht tot tien en ’s ochtends van negen tot elf. Tussendoor ga ik wandelen en hardlopen. Die wandelingen zijn heel belangrijk. Daar ontstaan veel oplossingen. Mensen spreken is ook belangrijk. Op zich kan ik heel goed alleen werken, maar om mijn denken scherp te krijgen, moet ik met mensen spreken.

Ik lees ook veel boeken om bij te leren. In mijn boek verbeeld ik de Zenne. Die rivier vind ik zo maf! In Brussel ben ik naar het rioolmuseum geweest en daar zie je de rivier onder te stad doorgaan. Hoe bedenk je het? De rivier begint ergens heel mooi kronkelend en dan komt die de stad in en wordt het een afgrijselijk slootje. Dan komt hij bij dat industriegebied in Anderlecht – daar ben ik trouwens geweest om de Zenne te zoeken. Bij de Marollen begon hij te stinken dus hebben ze hem overwelfd. Richting Mechelen wordt hij weer ‘levend’ en komen er opnieuw vissen in. Het is mooi om te zien hoe de natuur zich herstelt. Ik dacht: daar moet ik iets mee. De rivier stroomt door mijn boek heen als een poëtische onderstroom. Waarom zou je als mens de natuur door een betonnen bak willen laten geleiden? Waarom doe je dat? Laat dat toch stromen. Maar het hoofdpersonage laat zich ook niet stromen. En toen kwam ik hier in het huis van Herman Teirlinck aan en zag ik dit boek liggen: Zennebeelden! Ik ben dus niet de enige die de Zenne als iets bijzonders beschouwt.

In mijn boek dialogeer ik met het Vossenplein. Elke dag is daar een rommelmarkt dus het Vossenplein moet wel weten hoe de mens in elkaar zit. Dus daar ga ik mee in gesprek vanuit de vraag: wat is het verschil tussen een plein en een mens? Is er wel een verschil? De Zenne raakt het Vossenplein even aan en dat vind ik zo mooi.

Het komt erop neer dat als je hier bent, je gaat observeren. Dan ontstaat een creërende energie die verslavend is.