Glashelder
Door Mirre Verhoeven

<- Terug

Goedemorgen meneer Teirlinck, of mag ik Herman zeggen? Ik wil niet te familiair doen: u kent mij immers niet en bovendien bent u dood, wat toch een zekere vorm van formaliteit afdwingt. Ik hou het dus maar op meneer Teirlinck. Goedemorgen meneer Teirlinck.

Het is nu twaalf uur ’s nachts en vermoedelijk helemaal geen ochtend voor u. De zon heeft de hemel al lang verlaten en ik zit bij mijn venster, klaar om te gaan werken. Ik geniet van de rust en de onaangeraaktheid van de slapende wereld. Straks zullen mijn voetstappen de eerste van de dag zijn en zal mijn stem verdwijnen in een straatbeeld zonder oren. Alles gaat hier zo heerlijk traag. Ochtenden zijn iets van lange duur als je in de nacht leeft.

De studentenkamer waarin ik leef maakte niet zo lang geleden nog deel uit van een klooster en heeft bijgevolg kleurrijke glas-in-loodramen en een florissante binnentuin. Mijn venster kijkt normaal gezien uit op de tuin, maar de hoge ramen weerspiegelen nu enkel het interieur van mijn kamer. Het enige wat ik zie is mijzelf en ander meubilair. De houten kasten en droge bloemen zouden een verlengde kunnen zijn van de natuur buiten, van de nacht. Wanneer je een beetje dichter komt, zie je dat er oneindig veel kleine insecten zich aan het oppervlak van het enkel glas hebben bevestigd. Ze kijken naar wat er zich hierbinnen afspeelt. De curieuze diertjes zijn allemaal wit: nog een eigenschap die ze delen met sneeuw, want ook zij verdwijnen bij het opkomen van de zon. Voyeurisme is een wederzijds spel.

Het enige element dat onverstoorbaar verder leeft is Jeroen, de lange boom met zijn kale kruin. Ik wed dat u zou weten welke boom het is, maar dat soort kennis ontgaat mij. Ik las onlangs in de krant over de laatste Jeroen: de naam zou met uitsterven bedreigd zijn. Het tijdloze karakter van de boom compenseert dat denk ik. Want zo staat hij hier, te midden van dit alles en de wereld, als scheiding tussen Gaia en Ouranos: tijdloos. Enkel een zacht, geel lampje maakt zijn bestaan momenteel kenbaar. Ik weet echter dat wanneer ik morgenmiddag wakker word hij er opnieuw zal staan, in volle glorie. Helios’ licht zal scherpe schaduwen aftekenen op het omliggende gras en Jeroen zal er opnieuw zijn. Schoner dan ooit.

Ondanks het ongewone beeld van zijn kale kruin denk ik dat het goed met hem gaat. Hij ziet er ondanks alles onoverwinnelijk uit. Onveranderlijk, dat ook. En dat is misschien toch het voornaamste element dat mij rust geeft in een tijd en ruimte die overheerst wordt door veranderlijkheid.

Ik zit hier, net als u, bij mijn venster. Alles gaat hier zomaar aan ons voorbij. De realiteit wordt zachtjes vertroebeld door het enkel glas en de ochtenden duren langer dan ooit. Er is eigenlijk nog niet zo veel veranderd meneer Teirlinck. De dagen worden nog steeds per zeven geteld en ’t blauwe zonlicht valt nog altijd op het water. Ik zou willen dat u het opnieuw kon zien, dat u de schoonheid van de wereld terug kon ervaren en haar weer kon vullen met woorden. Ik zou willen dat u Jeroen kon ontmoeten en dat u zou verdwalen in zijn schaduw. Jullie zouden het vast goed met elkaar kunnen vinden. Beide verwonderd over elkaars aanwezigheid: het zou jullie sieren.

Ici je te laisse, u heeft vast nog enorm veel andere brieven van onbekenden te lezen. Ik sluit af met de mooie gedachte aan u en die vele brieven, dat iedereen u zo graag van alles wil vertellen. De nood aan uw luisterend oor is groot meneer Teirlinck, de nood aan uw traagheid en poëtische wereldvisie nog veel groter.

Met vriendelijke groeten,

Mirre Verhoeven

<- Terug