Lozana
Door Michiel Leen

<- Terug

Antwerpen, 11 mei 2020

Geachte heer Teirlinck,

Bij mijn venster sta ik, zeshoog boven de Antwerpse Lange Lozanastraat, met uitzicht over de daken, en het moet zijn dat toeval niet bestaat, want daarstraks ben ik u op straat nog tegengekomen. Nu ademt ons buurtje wel wat literatuurgeschiedenis, maar toch. Het zijn geen tijden om veel aan het toeval over te laten.

Wandelen doe je niet voor je plezier, dezer dagen, maar vandaag heb ik een goede reden om me nog eens buiten te wagen: boodschappen. Eén keer per week slaan we in het groot in en trekken we met de auto naar het grootwarenhuis. Loopt u een eindje mee? In de lift naar beneden trekken we ons zelfgemaakte mondmasker aan, tasten we nog even naar de fles ontsmettingsalcohol in de binnenzak en vergewissen we ons ervan, rubberhandschoenen bij ons te dragen. Niet te onstuimig in – en uitademen of de brillenglazen bestaan. En extra goed uitkijken bij het oversteken, want zo’n masker beneemt het zicht in de ooghoeken. We houden dit lolletje nu acht weken vol en het zou toch echt te stom zijn om nu te verongelukken. Of ziek te vallen.

Is het zo’n geweldig toeval dat ons huisgezin van kat, vriendin en ik aan deze Lange Lozanastraat zijn aangespoeld? Ook weer niet helemaal. De lome melancholie van die naam, die raadselachtige ‘Lozana’, deed al dromen toen ik haar voor het eerste gewaarwerd in het werk van J.M.H. Berckmans. Onze literaire buurman, zo u wil. Zijn vroegere stamcafé “De Raaf” zat bij ons om de hoek. J.M.H. woonde een tijdlang in een straat verderop. Het café is natuurlijk al lang weggegentrificeerd, maar in de plaats staat er een – gesloten – Japanse eterij die ‘Karasu’ heet, wat Japans schijnt te zijn voor ‘raaf’, en bovendien is er een glanzende plaquette tegen de gevel geschroefd om wie het echt wat kan schelen aan dit heuglijke feit te herinneren. J.M.H. is al een dik decennium wijlen maar dat wist u al.

Nee, het is niet ver naar de auto. Hier even oversteken – voorzichtig! – en dan de Van Schoonbekestraat door. Het zal u interesseren dat in de smalle straat hier rechts, Gerard Walschap woonde. En een paar huizen verder in diezelfde straat de familie van J.M.H. Berckmans. Weer een paar huizen verder: Willem Elsschot. Hoeveel teddybeertjes hebt u overigens al gespot achter de vensterramen?

Aangekomen bij de hoek van de Vanschoonbekestraat en de Markgravelei moet u maar even de moeite nemen om de Neo-Byzantijnse Sint-Laurentiuskerk te bewonderen, dan hoort u misschien niet hoe ik vanachter mijn mondmasker loop te foeteren op de duiven die vanuit het geboomte in het aanpalende Hof van Leysen mijn auto hebben volgescheten. A propos: dat café met die – volgescheten – bakfiets vol reclame voor de deur, daar sprak Elsschot weleens af met zijn aanhoudster. En een paar tientallen meter verderop stuikte hij in elkaar tijdens zijn laatste wandeling. 31 mei 1960. Bakkerij Absolom. “Dankt die heren”. De klok op de schoorsteenmantel die bleef stilstaan en Fine die dezelfde dag nog de geest gaf etc. etc. Moet u iets hebben van de supermarkt, meneer Teirlinck? Een krat pils, een pak wc-papier? A propos, bent u al begonnen zelf uw zuurdesembrood te bakken? Wij wel hoor. Daar is iets in dat goed is, maar we moeten nog veel oefenen.

Schuins tegenover het café hebben buren een bakje met boeken op hun vensterbank staan, “pak maar mee.” Bij hun vensterraam vind ik een exemplaar van het tijdschrift “De Maand”, met uw beeltenis op de omslag (zie foto). April 1967, u bent net koud. Het tijdschrift, ontsproten aan de schoot van de uitgeverij Lannoo, zet u op de cover in Tieltse stijl-popart. “Driemaal Herman Teirlinck.” U wordt ten grave gedragen door een meneer Jan Grootaers wiens in memoriam eruit bestaat alle keren in herinnering te brengen waarop hij een heropvoering van uw bekendste werken zag, dertig jaar nadat ze revolutionair waren geweest, en daarbij anno 1967 de commentaar te herkauwen die hij er in de jaren ’50 alleen maar bij had durven te denken. En hij is ook bij u op de koffie geweest op Uwenberg. Ja, dat kunnen we hem niet meer afpakken. Voorts veel artikelen over kerkelijke discussies en ook wel over de studentenvertegenwoordiging te Leuven. Discussies die twintig jaar voorafgaan aan mijn geboortejaar. Advertenties voor De Standaard (‘Het blad met standing!’) en de Kredietbank. Ik beduimel het boekje voor zover dat nog nodig is, prop het in mijn jaszak en ga in de weer met de handalcohol.

’s Avonds, ’s nachts, wandelen we als dwaallichten door de uitgestorven stad. We laten onszelf uit zoals anderen hun hond. Langs de gebarricadeerde terrassen en witgekalkte vensterramen van de cafés waar we in vrolijker tijden al lang uitbundig de lente zouden hebben gevierd. Langs ‘uw’ Studio aan het Mechelseplein, heden een kunstencentrum dat zich DE Studio noemt, zoals er natuurlijk ook maar één Stad is. Ach, je bent er vet mee: alles evengoed ten prooi aan een pandemische Doornroosjesslaap.

En straks: in een hoekje met een boekje. Wij houden het nog wel even uit.

Met toegenegen groeten

Michiel

<- Terug